Jesper van der Wielen: “Door sociaal contact presteer ik beter”

29 Apr

1325_van_der_wielen

Topatleet Jesper van der Wielen komt net uit een moeilijke periode  -“een zwart gat”- maar is weer in topvorm. Een sociale jongen die als tiener met geestelijk gehandicapten of bij de politie wilde werken. Nu droomt hij ervan de marathon van Rotterdam te winnen.

“Tijdens de wedstrijd vallen steeds meer Afrikanen af. Op een gegeven moment lopen we met zijn drieën. Het gevoel dat ik mijn tegenstanders pijn kan doen, geeft me een enorme kick. De race is een avontuur waarin ik niet weet of ik overeind blijf. Je weet tijdens een marathon nooit wat er gebeurt. Echt winnen gaat lastig worden. Er gebeurt altijd iets dat je niet verwacht omdat het een mentale en fysieke afvalrace is. Als de ene laatste Afrikaan afvalt, hoor ik zijn ademhaling en zijn voetstappen achter me verdwijnen. Het is nu een man-tegen-man-gevecht. De laatste Afrikaan en ik wisselen elkaar af, hij 40 seconden voorop en dan ik weer. Soms zit er vijf meter tussen. Het is de kunst mentaal niet te breken, niet te denken: ik ga winnen. Want dat nekt je. Ik ga mee en ik maak er het beste van, dat is de beste gedachte. Mijn hele lichaam doet pijn van mijn tenen tot mijn kruin. Ik heb vreselijke honger, voel me leeg.  In mijn hoofd voel ik mentale pijn. Het kost ongelooflijk veel energie, maar ik haal kracht uit de wil om te winnen.  Het is alsof ik in een tunnel zit. Ik hoor het publiek niet meer, alleen de stem van mijn coach en mijn vader. Optimale concentratie. De laatste minuut moet ik gewoon gáán.  Sprinten is niet meer mogelijk, ik moet alleen mijn tempo zien hoog te houden. De laatste honderd meter ga ik vanzelf. Ik zie de finish en alle pijn is weg. Ik heb gewonnen en ren over de Coolsingel.” Stralende bruingroene ogen kijken me aan. Dit is Jespers droomwedstrijd. En dan zegt hij nuchter: “Maar een Nederlander die de Marathon van Rotterdam wint, dat is wel heel lang geleden.” 

Eerlijke sport

Hij heeft van kleins af aan een winnaarsmentaliteit. “Vooral met voetbal was ik heel fel. Ik ergerde me altijd als iemand niet vol meedeed. Hij woont nu bij atletiekbaan Brakkenstein en kan echt genieten van de bossen. Zijn hond – een Jackrussellbeaglecombinatie – gaat nog weleens mee hardlopen. ”Dat heb ik wel nodig, we hadden altijd een hond thuis.” Hij laat op zijn telefoon zijn hond zien met een zonnebril op. Al vlug valt de naam van zijn Zweedse vriendin Sarah Lahti. Zij is ook een hardloopatleet op topniveau en woont met Jesper samen.

In 2006 begon hij pas serieus met hardlopen. Op de middelbare school kon hij studiepunten verdienen als hij meeliep met de Zevenheuvelenloop. Hij liep de 15 km zo snel dat hij besloot vaker te gaan hardlopen. Hij bleek talent te hebben en begon het steeds leuker te vinden omdat hij ‘zelf verantwoordelijk was voor het resultaat’. “Het is een heel eerlijke sport. Als je wint of verliest komt het door jezelf en niemand anders.” Binnen een jaar vestigde hij het Nederlands record bij de junioren op de 5000 m met 13:50. Tijdens het EK onder de 23 in Ostrava won hij een bronzen medaille na een blessureperiode aan zijn knie. Dat was een belangrijk hoogtepunt voor hem.

Keihard

Het ging hem voor de wind als atleet. Sponsoren stonden voor hem in de rij. Toch moest hij leren topsporter te zijn. “Je moet heel egoïstisch zijn, anders haal je het niet. Ik dacht teveel aan anderen. Ik vind dat nog steeds lastig. Vrienden gaan naar festivals, en jij moet het afzeggen. Nu weet ik dat als je echt die top wilt halen, het noodzakelijk is.” Hij trainde veel, keihard en alleen. Toen hij 19 was ging hij een maand alleen naar Kenia op trainingsstage. “Ik werd er niet gelukkig van om alleen te trainen. Mijn wedstrijden gingen op een gegeven moment niet goed, ik was niet meer gemotiveerd. Ik moest er ook iets naast doen, iets om mijn hoofd leeg te maken en sociale contacten te hebben. Ik heb het nodig om ook leuke dingen te doen en te ontspannen met anderen. Met het team Sevenhills op trainingsstage in Portugal bijvoorbeeld. Door sociaal contact presteer ik beter.”

In 2009 kwam hij naar het Johan Cruyff College Nijmegen. “Ik begon op niveau 4, maar door mijn zware dyslexie had ik veel problemen met talen. Op niveau 3 had ik ieder geval een taal minder. Het maakte mij niet uit wat ik studeerde, ik wilde iets naast het lopen doen.” Hij had nooit het plan gehad in Marketing, Communicatie en Evenementenorganisatie te werken. “Ik ben wel blij dat ik het heb afgerond; nu heb ik toch een diploma”. Hij kon met de hele klas goed omgaan. Er zaten ook jongens van zijn oude voetbalteam op school. “Ik had het erg naar mijn zin en vond het heel leuk om soortgenoten om me heen te hebben. Iedereen begreep waarom je weg was. Ik liep wel steeds meer achter, ging vaak bij Joop op het kantoor zitten omdat ik me beter moest concentreren. We hadden tussendoor vaak een gesprek over sport, dat was mooi.” Hij kijkt terug op een bijzondere tijd. Als ambassadeur adviseert hij andere sporters regelmatig om naar het JCC te gaan, zoals atleet Mohamed Ali Mohamed. Hij ging zelfs mee met Mohamed op intakegesprek op JCC.  “De sfeer is belangrijk voor mij. Dat heb ik wel heel erg gemist toen ik van school af ging, die kring om je heen. Het was echt een familie.  Ik was heel slecht in plannen en was nonchalant op school. Dan was ik weer een maand weg geweest en helemaal uit het schoolritme. Als ik puur naar mezelf kijk, had JCC ook strenger mogen zijn. Ik heb er vier jaar over gedaan, maar ik had het best sneller gekund. Ook weer niet te strikt natuurlijk, want dan was ik misschien weggegaan.”

Schuldig

Na de opleiding werd hij fulltime prof. Het eerst jaar liep hij goed, maar toen hij door een vakantie in Egypte een virus opliep, belandde hij in een zwart gat. “Ik kon totaal geen training opbouwen, school was klaar en wat heb je dan nog?” Hij zat zeven dagen per week thuis en de week kroop voorbij. Hij besefte daardoor weer dat het belangrijk is dat hij niet áltijd met hardlopen bezig is. “Ik had net een sponsorcontract van Nike getekend. Het virus duurde een jaar. Ik bouwde daarna mijn trainingen weer op en kreeg vervolgens een ontsteking aan mijn enkel. Weer lag ik er een jaar uit. Ik voelde me schuldig. De mensen om je heen doen veel voor je en als je het dan niet kunt waarmaken, geeft dat veel druk. Ik kon niets laten zien en  voelde me niets waard voor de maatschappij.” Die twee jaar wist hij niet wat hij precies wilde. Hij wilde wel hardlopen, maar wat moest hij ernaast doen? Toen is hij parttime bij het Loopcentrum gaan werken.

In die twee jaar leerde hij dat “het leven wel echt keihard kan zijn”. “Ik heb gezien wie mijn echte vrienden zijn en dat mensen soms gebruik van je willen maken. Je moet uitkijken. Ik heb wel het gevoel dat als je mensen helpt, het zich later uitbetaalt in dat andere mensen jou helpen. Ik ben niet heel gelovig, maar ik heb wel het gevoel dat er iemand meekijkt van boven en ziet wat je goed doet. Toen ik met 13.29 het Nederlands record liep op de 5000 m, wilden heel veel mensen bevriend met me zijn. Soms zoeken mensen je op om te kunnen presteren. Ze maken dan gebruik van jouw succes en uiteindelijk kiezen ze voor hun eigen belang. Ik kan nu gelijk zien aan iemand wat voor type het is. Je leert mensen selecteren die je echt helpen. In de pers zie je dat ook. Drie jaar terug was ik heel ambitieus in mijn uitspraken. Daar kijk ik nu wel voor uit.” Vooral Joshua Mols en Jespers vader hebben de atleet toen gesteund. “Mijn vader vond het heel erg om te zien dat het niet ging zoals ik het wilde. Hij was er voor me en ging met iedere wedstrijd mee. Hij benadert me altijd positief, dat heb ik nodig. Ik ben best streng voor mezelf  en dat weet hij.” Zijn vader, Theo van der Wielen heeft ook hardgelopen in het Joshua Tracking Team. “Hij trainde elke dag en begrijpt dat ik twee keer per dag train, zeven dagen in de week. Veel mensen snappen dat niet, maar hij weet dat het nodig is om in te top van de wereld mee te doen.”

 “Hardlopen voelt nu niet meer eenzaam”

Ondanks de harde levenslessen heeft hij nooit eraan gedacht met hardlopen te stoppen. “Hardlopen is mijn ding. Ik weet dat ik daarmee mijn droom kan waarmaken en dat ik alles uit mezelf kan halen wat erin zit.” Het mooiste moment is als hij zijn doel behaalt tijdens een wedstrijd. Als eruit komt waar je twee of drie maanden voor hebt getraind. Dat gebeurt misschien maar een keer in de twee jaar. Zoals afgelopen winter in Brunssum waar hij  met de Afrikanen mee kon komen en hij maar liefst derde werd. “Ik steeg echt boven mezelf uit.” Een week later liep hij 20 seconden van zijn PR af: 28:16 en hij liep een PR op de 1500 m: 3:41:50. Door die twee jaar heeft hij leren ingezien dat het resultaat niet het belangrijkste is. “Genieten van je sport en blessurevrij blijven lopen, dat maakt het extra mooi.”

Nu werkt hij drie dagen in de week bij Het Loopcentrum. Dat is goed te combineren en hierin kan hij zijn kennis als hardloper kwijt. Hij vindt het mooi om te zorgen voor blessurepreventie. “Het is leuk om met mensen bezig te zijn.” Daarnaast reist hij voor wedstrijden en trainingen de hele wereld rond. “Ik ga na de wedstrijd altijd even de stad in, een praatje maken met mensen. Ook op de armste plekken in Afrika. Dat vind ik wel heel speciaal. Daar geniet je trouwens wel enorm van een koud colaatje na de training.”

Slopen

Sprinters zijn extravert, langeafstandlopers introvert, is het credo. Toch is Jesper als middellangeafstandloper altijd extravert gebleven. Hardlopen is een van de eenzaamste sporten die er zijn. Hoe matcht dat met zijn karakter? “Het scheelt dat ik vier keer per week in een groep train en ik loop veel samen met mijn vriendin. Ze is mijn soulmate en reist ook met me mee. Dat is heel erg fijn.” Zijn vriendin zorgt ervoor dat hij er nu weer helemaal voor gaat. Ze ontmoetten elkaar tijdens een wedstrijd in Portugal waar zij ook liep. Het was meteen raak. “Zij zat ook op een zijspoor. Ze is wat jonger en had geen leeftijdsgenoten om mee te trainen. Nu steunen we elkaar. Voor ons allebei staat topsport bovenaan. Hardlopen voelt nu niet meer eenzaam. Ik ben heel gelukkig met hoe het nu gaat.”

Hardlopen heeft zijn karakter niet verandert, maar wel zijn levensstijl. “Ik heb door topsport geleerd te plannen. Nu ben ik bezig met periodisering en plan ik precies wanneer ik in vorm kan zijn voor een wedstrijd. Een voorbereiding treffen om prestatie te leveren, dat deed ik in het begin niet. Alle jongens hebben talent, het zit hem vaak in zoeken waarin je het verschil kunt maken.”  Hij loopt nu 170 km en traint veertien keer per week. “Dan ben je erg blessuregevoelig. Je sloopt je lijf steeds en maakt  het daarna weer sterk, daar word je beter van. Hardlopen is arbeid leveren en zorgen dat je lijf goed herstelt voor de wedstrijd. Goed naar mijn lichaam luisteren, mijn rust pakken en niet te snel willen. Balans houden is de kunst.”

Geduld

De wegwedstrijden vindt hij het leukst. Het gaat iets minder om tijd dan op de atletiekbaan. Het is ontspannender en het is financieel makkelijker om van rond te komen. Nu hij in topvorm is dienen de sponsoren zich weer aan en kan hij er goed van leven. “Maar ik wil er wel bij blijven werken. Als ik dan een keer geblesseerd ben, heb ik toch ritme in mijn leven.”

Wat is zijn doel de komende jaren? “De echte wereldtop met de Afrikanen is zo’n hoog niveau, ik weet niet of ik dat ga halen, maar dat is wel stiekem het doel waaraan ik denk. Nu wil ik vooral de Europese concurrenten verslaan. Ik hou er niet van om op de limiet te jagen voor Rio. Ik zie die tijd vanzelf wel. Ik start liever onbevangen, niet teveel nadenken, gewoon lekker meedraaien. Dat is een beetje de Afrikaanse instelling.” Na de Olympische Spelen in Rio wil hij zich meer op de marathon gaan richten. Bewust wacht hij tot hij 25 of 26 jaar is, ook op advies van zijn coach. Op de lange afstand komt hij pas echt goed op gang. Nu kan hij zich richten op zijn tempo hooghouden en opbouwen. “De marathonafstand is geen probleem, maar het tempo verhogen, daar gaat het om. Als je te vroeg begint met de marathon, lukt dat bijna niet meer.” Elk jaar traint hij iets meer zodat hij die acht tot tien weken voorbereiding aankan voor een marathon. “Het is een kwestie van investeren, geduld hebben en verstandig zijn.”

Werken met geestelijk gehandicapten, dat is nog steeds wat hij later wil doen. “Het verzorgende spreekt me aan. Ik ging vroeger vaak helpen in een bejaardentehuis. Maar het is moeilijk een opleiding of werk te combineren met topsport. Ik wil liefst zo lang mogelijk met topsport bezig zijn.”

Tekst: Anoushka van Bemmel

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: